Website van de Boeddhistische Unie Nederland (BUN)

Boeddhisme - tradities

Boeddhisme: geschiedenis en tradities

Wat de Boeddha onderwees is door de eeuwen heen op verschillende manieren geformuleerd en beoefend. Er zijn hierin vier hoofdstromen te onderscheiden, waar de huidige sangha’s in Nederland deel van uitmaken.

Theravada (waaronder Vipassana)

1. Oorsprong

De geschiedenis van het Theravada voert terug naar de gemeenschap van monniken in de tijd van de Boeddha ( ca. 450 v. Chr. tot ca. 370 v. Chr.) die zijn entourage vormden, bekend onder de naam Sangha. Na het overlijden van de Boeddha (ca 370 v. Chr.) ontstonden er door splitsingen in de Sangha verschillende vroeg boeddhistische scholen. Theravada was de hoofdstroming, waar de andere scholen door afsplitsingen uit voortkwamen. Theravada is de enige van deze vroege scholen die nog steeds bestaat.

2. De Drie Korven

Theravada stond in de historische bronnen bekend onder de namen Sthaviravāda en Vibhajyavāda. 'Sthavira' is Sanskriet voor het Pali woord 'Thera' (ouderling), en wordt gebruikt om alle vroege boeddhistische scholen aan te duiden. 'Vibhajya' refereert aan 'analyse', de benaming werd gedurende de periode van koning Asoka (268 v. Chr. tot 263 v. Chr.) gebruikt. De sterk analytische benadering van de werkelijkheid, vindt men terug in de wijze waarop in de Abhidhamma de werkelijkheid beschreven wordt. De Abhidhamma maakt deel uit van een bundel geschriften die omstreeks 250 v. Chr. werd opgetekend uit de recitaties van de volgelingen van de Boeddha. Deze geschriften werden ingedeeld in drie bundels, die de ‘Drie Korven’ ( Ti Pitaka) werd genoemd: 1. De Sutta Pitaka bevat de leerredes; 2. De Vinaya Pitaka bevat de reglementen van de Sangha; en 3. De Abhidhamma Pitaka biedt een diepgaande analyse van de fysieke en mentale werkelijkheid.

3. De leer

Centraal in het Theravada staan het begrip dukkha (lijden, frictie, onvrede) en de weg naar bevrijding uit dukkha. Dit wordt weergegeven in de Vier Edele Waarheden die de Boeddha in zijn eerste prediking uiteenzette: 1. Er is lijden; 2. Er is een oorzaak van lijden; 3. Er is beëindiging van lijden 4. Er is een weg die voert naar het einde van lijden. De weg naar het ophouden van lijden wordt beschreven als Het Achtvoudig pad, dat drie trainingen omvat: sila (ethiek en moraliteit), samadhi (concentratie en kalmte van geest) en panna (wijsheid of inzicht). Door oefening op dit pad kan de mens zich vrij maken van lijden en de staat van verlichting realiseren. Hij is dan volledig vrij van hartstochten, boosheid en verblinding, vrij van alle bezoedelingen en bindingen met het bestaan. Een persoon die dit bereikt heeft wordt een verlichte (Boeddha) genoemd of een perfecte persoon (Arahat). De ontwikkeling naar perfectie heeft een gradueel verloop, uitgebeeld in de vier graden van heiligheid: stroomwinnaar, eenmalig terugkerende, niet terugkerende en de perfecte persoon.

4. Ethiek en moraliteit (Sila)

De beoefenaars, ook bekend als yogi's, proberen zich zo te beheersen in spreken en handelen dat zij noch zichzelf noch anderen schade berokkenen. Daartoe nemen zij de vijf leefregels als uitgangspunt, die uitgebreid kunnen worden tot acht of tien; voor monnikken en nonnen zijn er respectievelijk 227 en 311 leefregels. Leken-yogi’s beoefenen afhankelijk van hun niveau van overtuiging en mentale vermogen de drie- ; de vijf- ; de vijf plus drie spraak regels ; de acht en de tien leefregels. De oefening in juist gedrag wordt als een basis beschouwd voor verdere mentale ontwikkeling (meditatie).

5. Meditatie (samadhi en panna)

Het Achtvoudige Pad omvat twee vormen van meditatie: de kalmtemeditatie en de inzichtsmeditatie. Met kalmtemediatie (ook wel samatha genoemd) wordt de rusteloze geest beteugeld en de geestkracht gebundeld. Dit kan leiden tot diepe stadia van concentratie (ook wel absorbtie of jhana genoemd). Door inzichtsmeditatie (vipassana) doorschouwt de yogi de drie fundamentele kenmerken van van het bestaan: de onbestendigheid (anicca) en de uiteindelijke onbevredigenheid (dukkha) van alle fysieke en mentale verschijnselen en het ontbreken van een duurzaam, sturend zelf (anatta). Daardoor neemt de hechting aan fysieke en mentale verschijnselen af en kunnen de verschillende stadia van verlichting gerealiseerd worden.

6. Deugden en volmaaktheden

Degene die het Achtvoudige Pad bewandelt, ontwikkelt tevens wat de Boeddha de Vier Kardinale Deugden en de Tien Volmaaktheden of Perfecties noemde. De Kardinale Deugden omvatten liefdevolle welwillendheid, mededogen, medevreugde en gelijkmoedigheid. De Tien Perfecties omvatten - naast liefdevolle welwillendheid en gelijkmoedigheid - : vrijgevigheid, juist handelen, onthouding, wijsheid, energie, geduld, betrouwbaarheid en vastberadenheid. De Perfecties vinden in de Boeddha en in de Arahats (volledig verlichten) hun hoogste invulling.

7. Het moderne Theravada-boeddhisme

In het moderne Theravada-boeddhisme vormt de wederzijdse afhankelijkheid van de Sangha van monniken en de lekengemeenschap, de basis van de maatschappelijke taakverdeling. Daarbij richten de leken zich op de sociaaleconomische activiteiten en de Sangha zich op
de geestelijke en spirituele gezondheid van de samenleving. Tegenwoordig is Theravada de hoofdstroming in Sri Lanka, Myanmar, Thailand – Laos – Cambodja, Maleisië en Indonesië. Vandaar dat het vaak met de term “Zuidelijk Boeddhisme” wordt aangeduid . Het aantal boeddhisten in Zuid en Zuidoost Azië wordt geschat op 146 miljoen mensen. Het is in die landen gebruikelijk dat kinderen tijdelijk in het klooster toetreden en weer uittreden en er is voor leken die zich geroepen voelen ook de mogelijkheid om voor een langere periode of voorgoed monnik of non te worden.

In Nederland heeft het Theravada-boeddhisme aanhangers bij leden van de Thaise en andere Aziatische gemeenschappen en daarnaast ook bij beoefenaars van de verschillende vipassana-tradities die vooral voortgekomen zijn uit Birmaanse meditatiescholen (Mahasi Sayadaw, Sayagyi U Ba Khin, Goenka e.a.).

Opstellers: J. Hermsen; A. Ichsan; M. Schouten

Zen (Mahayana)

Zen (Chinees: Chán, Vietnamees: Thiền, Koreaans: Seon) is een school van het Mahayana-boeddhisme die zich in China gedurende de Tang-dynastie heeft ontwikkeld en later werd overgebracht naar Vietnam, Korea en Japan. Zen is de Japanse naam waaronder het in het Westen het meest bekend is geworden. Zoals alle andere scholen van het Boeddhisme heeft ook zen in de loop van haar geschiedenis veel kenmerken aangenomen van de omgeving waarin het wortel schoot; in China werd het bijvoorbeeld sterk beïnvloed door het Taoïsme en het Confucianisme. Maar over het algemeen wordt zen gezien als een traditie die zich vooral richt op de directe religieuze ervaring en de liefde en het mededogen dat vanuit die ervaring opgeroepen kunnen worden. Uitgangspunt daarbij is dat iedereen kan delen in de wijsheid van de Boeddha door zichzelf en de wereld te leren herkennen als een onmetelijk en naadloos geheel.

In theoretisch opzicht is zen vooral gebaseerd op Mahayana-bronnen zoals Yogacara, de Tathagatagarbha- en Avatamsaka-soetra's met hun nadruk op onze inherente boeddha-natuur en het bodhisattva-ideaal. Ook de Prajnaparamita-, Diamant-, Lankavatara-, Lotus- en Shurangama-soetra worden vaak aangehaald. In de praktijk richt zen zich echter vooral op de manier waarop de inzichten die in deze geschriften vermeld staan ervaren kunnen worden. Daarom worden de literaire bronnen wel vergeleken met vingers die naar de maan wijzen, en vaak wordt voor de overdracht van de dharma het rechtstreekse contact met een bevoegde leraar van groter belang geacht dan de studie van teksten. Ironisch genoeg heeft de zentraditie zelf een grote bijdrage geleverd aan de boeddhistische literatuur met de levensverhalen van zenmeesters waarin o.a. hun verlichtingservaring beschreven wordt. Later werden beknopte versies van deze verhalen gebundeld en gebruikt als onderwerp van meditatie (koan).

Volgens een legende die in de Chinese Tang-dynastie ontstaan is, werd de kern van zen door Shakyamuni Boeddha overgedragen op Mahakyashapa, op het moment dat de Boeddha een bloem ophield voor zijn leerlingen en Mahakyashapa als enige glimlachte. Later droeg Mahakyashapa deze mysterieuze kern op zijn beurt over aan Ananda, die het weer verder overdroeg aan een van zijn leerlingen. Daardoor ontstond het fenomeen van opvolgingslijnen die tot op heden doorgaan. In dharma-overdracht wordt de verlichtingservaring van een leerling erkend door de leraar en dit heeft de authenticiteit van de dharma door de eeuwen heen beschermd.

Bodhidharma, die deze traditie van India naar China bracht, heeft de kern van zen zo gekarakteriseerd:

Zen wordt doorgegeven los van boeken,
Buiten woorden en begrippen om.
Kijk rechtstreeks in je eigen geest,
Ontdek je ware aard en word Boeddha.

Het woord zen betekent meditatie en naast het directe contact met een leermeester is zazen (zittende meditatie) meestal het belangrijkste element van de zenbeoefening, met name in het Westen. Daarnaast krijgen ritueel, studie en sociale activiteiten in de diverse zentradities een verschillende nadruk.

In de klassieke geschriften, zoals die van de Japanse Eihei Dogen (1200-1253), wordt zazen vaak beschreven als een proces waarin we onze aandacht naar binnen keren en onze inherente boeddha-natuur wakker maken. Met andere woorden, we keren ons af van de objecten van waarneming en richten ons direct op datgene dat waarneemt. Het gevolg hiervan is dat we ons bevrijden van allerlei projecties en voorkeuren waardoor onze waarnemingskanalen gezuiverd worden. Als we onze aandacht daarna weer op de wereld richten, zien we die in een ander licht; de dingen gaan meer tot ons spreken, in een taal die aanzet tot liefdevolle respons. Dit wordt vaak shikantaza genoemd; zitten in volledige aandacht. In al zijn eenvoud is het tegelijkertijd de gemakkelijkste en moeilijkste manier van mediteren.

Shikantaza kent echter veel verschillende niveaus en om onze blik te verruimen is het vaak nodig om op een actieve manier specifieke denk- en gevoelspatronen aan de kaak te stellen. Koans blijken daar uitstekend geschikt voor te zijn: korte teksten - meestal overgeleverde dialogen tussen een meester en leerling - die de boeddhistische leer in een notendop aanbieden en gebruikt kunnen worden gebruikt als object van meditatie. De leraar geeft de leerling een koan en verwacht een spontane presentatie van de essentie ervan in een persoonlijk onderhoud (dokusan). Een eerste reeks van koans richt zich op het ervaren van de wereld als een ondeelbaar geheel. Meer gevorderde koans richten zich op de eindeloze verscheidenheid binnen dit geheel, de innige verbondenheid tussen eenheid en verscheidenheid en de manier waarop ervaringen hiervan liefdevol in woord en daad kunnen worden uitgedrukt.

Omdat in de beoefening van zen lichaam en geest in harmonie gebracht worden, heeft het altijd een sterke rituele kant gehad. De meditatiehouding, het maken van buigingen, het offeren van wierook en gezamenlijke soetra-zang worden gezien als een oefening in kinetisch bewustzijn en ook als een fysieke uitdrukking van verworven inzicht. Ceremoniële activiteiten worden bovendien beschouwd als actieve groepsmeditaties; een belangrijke aanvulling op de individuele zitmeditatie. Ritueel is ook in vele andere opzichten een essentiële tegenpool van zazen. Terwijl we bijvoorbeeld in zazen in een bevoorrechte positie zijn om de dharma te ontvangen, krijgen we tijdens ceremonies de gelegenheid om onze dankbaarheid daarvoor tot uitdrukking te brengen.

Naast ritueel is ook studie een belangrijker element van training dan vaak gedacht wordt. Dat komt o.a. omdat de meeste Boeddhistische geschriften eigenlijk handleidingen zijn. De teksten kunnen vergeleken worden met de bladmuziek van een musicus: het gaat niet alleen maar om de noten, maar de noten zijn wel belangrijk om muziek te maken. In die zin moet ook de hierboven aangehaalde uitspraak van Bodhidharma begrepen worden. Geschriften zijn wel degelijk nodig – Bodhidharma bracht zelf de Lankavatara-soetra vanuit India mee naar China – maar de bestudering daarvan alleen is niet genoeg; het is de bedoeling dat de inhoud van de geschriften in praktijk gebracht wordt.

De bodhisattva-geloften zijn een grote inspiratie voor een meer bewust en liefdevol leven. En zij krijgen hun betekenis vooral wanneer ze beoefend worden in combinatie met de andere trainingselementen. Langzaam maar zeker krijgen we meer gevoel voor situaties en wat onze rol daarin zou kunnen zijn. Doordat we beter onze mogelijkheden en ook onze beperkingen gaan inzien, kunnen we een levensvisie ontwikkelen waarin we niet alleen anderen gelukkig maken maar ook onszelf. De bodhisattva-geloften kunnen op allerlei manieren uitgedrukt worden, maar in de moderne zenwereld leiden ze vaak tot een engagement met sociale projecten.

Ondertussen mag niet vergeten worden dat westerse zen heel jong is en eigenlijk nog in een pioniersfase verkeert. In Nederland zijn er veel groepen die verschillende tradities vertegenwoordigen. Sommige daarvan willen de zenmeditatie graag losweken van de oorspronkelijke Boeddhistische context; anderen doen dat juist niet. En het is nog te vroeg om te spreken van een algemeen aanvaarde vorm. Er zijn wat dat betreft ook nog maar weinig kloosters of tempels waar men zich voor langere tijd aan zen kan wijden. Verder is het interessant dat er de afgelopen jaren door sommige groeperingen weer meer aansluiting gezocht wordt met de Aziatische traditie, met name die van Japan en China. Kortom, de toekomst van zen in Nederland ligt nog wijd open.

Tenkei Coppens, december 2015

Vajrayana (Tibetaans)

Vajrayana: het diamanten voertuig

Alle levende wezens zijn in essentie boeddha’s,
Ze zijn alleen tijdelijk verduisterd.
Zijn de verduisteringen eenmaal verwijderd,
Dan toont zich hun boeddhaschap.
Hevajratantra

Wortels van het vajrayana

Veel mensen denken dat vajrayana-boeddhisme, het ‘diamanten voertuig’, een Tibetaanse inventie is, maar dit is niet zo. De wortels van het vajrayana boeddhisme liggen in India. Niet alleen dat, in essentie is vajrayana een onderdeel van het mahayana. Voor het beoefenen van het vajrayana is een stevige basis in het mahayana dan ook noodzakelijk. Naast de mahayana-soetra’s is het vajrayana ook gebaseerd op de traditie van een groep teksten genaamd Tantra’s, daarom wordt het ook wel Tantrayana genoemd. Tantra betekent ‘web’, ‘continuïteit’, en verwijst zowel naar het wederzijds afhankelijk ontstaan van verschijnselen als naar de continuïteit van bewustzijn of de Boeddhanatuur, het potentieel van ieder mens om verlicht te raken. Daarom wordt soms wel gesproken over soetra-mahayana en tantra-mahayana.

Het steile pad van vaardige middelen

Terwijl het basisvoertuig van het hinayana een pad is dat vele levens duurt voor het naar nirvana leidt, en van het mahayana wordt gezegd dat slechts enkele levens voldoende zijn om volkomen realisatie van leegte te verwerven, wordt van het vajrayana gezegd dat het verlichting in één enkel leven kan brengen. Dit komt door de grote hoeveelheid vaardige middelen zoals mantras en mandalavisualisaties die de beoefenaar ter beschikking staan om gedachten en emoties te transformeren.
De tantra’s worden soms beschouwd als een vierde pitaka (verzameling), naast de vinaya, soetra en abhidharma. Het is een groep teksten van mysterieuze oorsprong die zonder inwijding in de beoefening en uitleg van een meester eigenlijk niet te begrijpen zijn. Daarom is de rol van inwijding en begeleiding door een leraar cruciaal in vajrayana. Deze praktijken vonden hun weg naar grote Indiase kloosters als Nalanda en zo ontstond een esoterische vorm van boeddhisme. Deze vorm van boeddhisme heeft zich naar noord en oost-azië (o.a. Shingon in Japan) verspreid, maar is toch vooral in Tibet tot grote bloei gekomen. Dit onderricht komen we ook nu nog in Nederland tegen.

Tibetaanse boeddhistische scholen

In Tibet deed het boeddhisme voor het eerst zijn intrede gedurende de regering van koning Songtsen Gampo (609-649). Hij had een Nepalese en een Chinese vrouw die allebei een beeld van de Boeddha hadden meegenomen. Serieuzer werd het gedurende de periode van koning Trisong Detsen (742-792). Toen zich problemen voordeden met het bouwen van Samye, het eerste Tibetaanse klooster, adviseerde de aanwezige Indiase khenpo Shantarakshita de koning om de hulp in te schakelen van een Indiase mahasiddha genaamd Padmasambhava. Padmasambhava onderwierp de demonen van de oorspronkelijke Bönreligie van Tibet en maakte ze tot beschermers van de dharma. Dit leidde de eerste bloeiperiode van het boeddhisme in Tibet in. Het Tibetaanse schrift werd ontwikkeld speciaal om boeddhistische teksten uit het Sanskriet te kunnen vertalen.

Trisong Detsen organiseerde een groot debat tussen vertegenwoordigers van de Indiase traditie en de Chinese Ch’anschool. Hoewel bronnen verschillen over wie er gewonnen zou hebben, blijkt uit de geschiedenis dat de Tibetanen met de Indiase versie van het boeddhisme zijn verder gegaan. Na de komst van Padmasambhava en de Nyingma (‘de ouden’) was er weer een periode van verval van de dharma in Tibet.

Pas in de elfde eeuw ontstonden met de komst van Atisha (982-1054) de nieuwe vertaalscholen. Atisha stichtte de Kadampa’s, beroemd om het onderricht in het trainen van de geest in compassie (lojong). De Kagyü-school van de bekende yogi Milarepa gaat via Marpa terug naar Naropa en de mahasiddha Tilopa in India. Heel bijzonder is dat de Karmapa, de leider van een speciale tak, de Karma-Kagyü, de eerste was die aanwijzingen gaf waar hij opnieuw geboren zou worden. Zo ontstond de lijn der Karmapa’s. Het systeem van veelal abten van kloosters die worden herboren, en die tulku worden genoemd, is door de andere scholen overgenomen. In het Westen zijn de Dalai Lama’s de bekendste incarnatielijn, maar van oorsprong komt dit principe van de Karmapa, die nog steeds aan het einde van ieder leven een brief met precieze details over zijn volgende geboorte achterlaat.

Opmerkelijk bij de Sakya-school is dat de overdrachtslijn in tegenstelling tot de andere Tibetaanse scholen via een bloedlijn loopt. De Sakya-school kreeg grote politieke macht door een bondgenootschap met de Mongolen, gedurende de Yuandynastie (1271-1368). Dit is van grote invloed geweest op de Tibetaanse geschiedenis.

In de vijftiende eeuw stichtte de hervormer Tsong Khapa (1357-1419) de Gelugpa (‘deugdzamen’), die voortkomt uit de Kadampaschool. Zijn leerling zou later de eerste Dalai Lama worden. De titel Dalai Lama (Mongools voor ‘Oceaan van Wijsheid’) werd pas aan de derde Dalai Lama gegeven en de leerling van Tsong Khapa kreeg hem dus met terugwerkende kracht. Opnieuw ontstond een krachtige samenwerking tussen de Mongoolse krijgers en Tibetaanse lama’s, ditmaal van de Gelugpa-school. Enorme kloosters werden gesticht in Ganden, Drepung, en Shigatse met tienduizenden monniken. Dit waren kleine kloosterstadjes en centra van cultuur, studie, debat, kunst en beoefening. In de Gelugpaschool is de studie van de oude Indiase geschriften en Tibetaanse commentaren erg belangrijk. Het vereist wel eenentwintig jaar intensieve studie om de graad van geshe te behalen.

Verspreiding naar het westen

Met de komst van de Chinezen na 1950 hebben een miljoen Tibetanen het leven gelaten en zijn slechts enkele van de drieënzestighonderd kloosters vernietiging gespaard gebleven. Onder leiding van de huidige veertiende Dalai Lama (1935) wordt in ballingschap geprobeerd de Tibetaanse dharmacultuur in stand te houden. Veel kloosters in India zijn dependances van de oorspronkelijke kloosters in Tibet. Ook in Tibet zelf ontstaat onder het wantrouwend oog van de Chinese autoriteiten de laatste jaren schoorvoetend weer iets meer ruimte om dharma te beoefenen. Door de Tibetaanse diaspora hebben zich lama’s van de verschillende scholen in het westen gevestigd en ook in Nederland zijn de verschillende tradities in diverse centra vertegenwoordigd.

Dr. Bert van Baar, gebaseerd op 'Boeddhisme in een notendop'

Westers boeddhisme

Tot voor kort werden drie hoofdstromingen in het boeddhisme onderscheiden, die allen hun oorsprong hebben in het Oosten. De laatste 50 jaar begint zich een nieuwe hoofdstroming te ontwikkelen die als ‘westers boeddhisme’ wordt aangeduid. Maar wat is westers boeddhisme eigenlijk? Bestaat het wel? Wat wordt er precies met deze term ‘westers boeddhisme’ bedoeld? Daarover probeer ik in dit korte stukje duidelijkheid te geven.

In de 19e eeuw kreeg het boeddhisme bekendheid in het Westen via westerlingen met een oosterse belangstelling. In eerste instantie werd vooral het Theravada-boeddhisme, de traditie van de ouderen, bekend. In de jaren zestig van de vorige eeuw raakte men ook met andere boeddhistische tradities vertrouwd. Er kwamen leraren naar het Westen en ook gingen er westerlingen richting Azië om zich te verdiepen in de boeddhistische leer zoals daar onderricht en beoefend. Zo ontstond er een groep mensen die het boeddhisme beoefenden binnen de (oosterse) traditie overgedragen door hun leraren terwijl ze zelf leefden in de westerse cultuur.

Het boeddhisme ontwikkelde zich op verschillende plaatsen in de wereld, los van elkaar en binnen de cultuur die op die plaatsen heerste. Een grote diversiteit aan scholen was het gevolg en er ontstonden verschillende stromingen met ieder hun eigen karakter. In de huidige ‘westerse’ wereld, dat is de huidige post-industriële moderne cultuur die in Europa, de Verenigde Staten en nu ook elders in de wereld gangbaar is, hebben we toegang tot al deze stromingen.

Het is van belang om uit deze stromingen, die vaak in een cultureel jasje gestoken zijn van het land van herkomst, te onderscheiden wat de kern is van de Leer van de Boeddha en die toegankelijk te maken voor de wereld van nu. Een aantal leraren van de eerste generatie die de Dharma leerden in het Oosten hebben aan hun leerlingen de Dharma doorgegeven vanuit een oosterse boeddhistische traditie, met aanpassingen gericht op de westerse cultuur.

Een voorbeeld hiervan is Urgyen Sangharakshita. Zelf geordineerd binnen de Theravada traditie en onderricht door Tibetaanse leraren en een Ch’an monnik, richtte hij in 1968 de FWBO op, sinds 1976 bekend in Nederland onder de naam VWBO - Vrienden van de Westerse Boeddhisten Orde, nu Triratna Boeddhistische Beweging. Hij benadrukt zes principes, die volgens hem van wezenlijk belang zijn voor de worteling van het boeddhisme in het westen:

1. Voor toevlucht gaan naar de Drie Juwelen
2. De Dharma is voor iedereen
3. Inspiratie vinden in alle boeddhistische geschriften
4. Het belang van spirituele vriendschap
5. Ethisch levensonderhoud in teamverband
6. Het belang van kunst in het spirituele leven

1. Voor toevlucht gaan naar de Drie Juwelen*

Voor toevlucht gaan naar de Drie Juwelen (Boeddha, Dharma, Sangha) staat centraal en is de bindende factor tussen alle boeddhistische tradities. Het is deze handeling die je tot boeddhist maakt. Het gaat er niet om of je monnik bent of leek. Je bent niet meer boeddhist als je in een klooster woont, maar evenzeer en evenveel boeddhist in een gezin, met een baan, enz. Dit betekent niet dat leefstijl onbelangrijk is, maar dat de manier waarop je leeft een uitdrukking dient te zijn van je toewijding aan de Drie Juwelen. Waar het om draait is of je de Dharma, het pad dat de Boeddha heeft onderwezen, daadwerkelijk beoefent.

* De gewoonlijke vertaling van Buddham Saranam Gacchami (uit het Pali, een taal waarin veel van de boeddhistische traditie is overgeleverd) is ‘toevlucht nemen tot’. Sangharakshita benadrukt in zijn onderricht het belang van er actief voor gaan (gacchami betekent letterlijk ‘ik ga’). Vandaar deze iets afwijkende vertaling.

2. De Dharma is voor iedereen

Alle mensen hebben het potentieel om verlicht te worden en kunnen de Dharma beoefenen. Mannen en vrouwen hebben een gelijkwaardige positie binnen de boeddhistische gemeenschap.

3. Inspiratie vinden in alle boeddhistische geschriften

Pratitya Samutpada (het fundamentele principe van conditionaliteit) wordt gezien als de kern van de Leer. Geschriften uit alle boeddhistische stromingen en tradities kunnen een inspiratie zijn in de beoefening van de Dharma.

4. Het belang van spirituele vriendschap

In antwoord op Ananda’s uitroep dat vriendschap de helft van het spirituele leven is, antwoordde de Boeddha dat het nog veel belangrijker is, namelijk het hele spirituele leven. Vriendschap, Sangha, interactie met gelijkgezinden en mensen die ons inspireren is van fundamenteel belang om de beoefening van de Dharma te stimuleren en te verdiepen.

5. Ethisch levensonderhoud in teamverband

Als boeddhist is het belangrijk om op een ethische manier in je levensonderhoud te voorzien, zo mogelijk in teamverband. Bijvoorbeeld samen met andere boeddhisten en/of andere gelijkgezinden in bedrijven werken die op ethische waarden zijn gebaseerd. Een onderdeel hiervan kan zijn projecten ontwikkelen en/of ondersteunen die de beoefening en verspreiding van de Dharma bevorderen.

6. Het belang van kunst in het spirituele leven

Behalve via meditatie kan je ook via de schone kunsten in contact komen met positieve emoties en verfijnde gemoedstoestanden. Ook om de koppeling te maken tussen traditioneel boeddhisme en het Westen kan kunst een belangrijke rol spelen.

Zoals Urgyen Sangharakshita zijn er andere leraren, die een soortgelijke vertaalslag hebben gemaakt voor beoefening van de Dharma door westerlingen. Inmiddels is er ook een tweede generatie westerse boeddhisten, die bestaat uit leerlingen van oosterse leraren uit de traditionele hoofdstromingen en uit leerlingen van leraren die al een omslag hebben gemaakt van traditioneel boeddhisme naar een vorm die beter aansluit op de tradities en gebruiken van het westen. Al deze mensen maken onderdeel uit van en zijn spelers in de ontwikkeling en vorming van het ‘westers boeddhisme’.

Natuurlijk gaat de ontwikkeling van westers boeddhisme niet over één nacht ijs. Het is zich nog aan het vormen. Het zal nog een tijdje duren voordat je over westers boeddhisme kunt spreken zoals je over bijvoorbeeld Tibetaans boeddhisme spreekt. Het is een proces dat jaren in beslag zal nemen. Zo hadden ook de klassieke hoofdstromingen van het boeddhisme ieder zo’n 500 jaar nodig om zich uit te kristalliseren en duidelijk zichtbaar te worden als een aparte stroming.

Als we kijken naar de ontwikkelingen in de huidige wereld, spreken we waarschijnlijk over 500 jaar (en misschien al eerder) niet eens van een ‘westers boeddhisme’. Door globalisering zijn we wellicht op weg naar een wereld, waarin verschillen tussen oost en west minder bepalend zijn. Mensen hebben dan toegang tot één globale cultuur. Uiteindelijk is het boeddhisme een universele religie die beoefend kan worden door iedereen, op alle plaatsen en in iedere situatie.

Bronnen:

  1. Onderricht door de jaren heen van Urgyen Sangharakshita ontvangen
  2. Boeddha in de Polder - Yashobodhi - Uitgeverij Ten Have, augustus 2006
  3. Boeddha Nu - Dhammaketu - Asoka/Milinda Uitgevers B.V. - januari 2012

Gunabhadri, oktober  2015